terug
index.htm
volgende oefening
Bladz 59 1
invullen
Kies het goede antwoord
1. ik-mij-mijn.......................................Deze brief is voor
.
2.jij/jou/jouw........................................Hij is voor
.
3. hij/hem/zijn......................................Die jas is van
.
4 jij/jou/jouw.......................................Is deze bril van
?
5. u/uw................................................Zijn die handschoenen van
?
6. hen/ze/zij.........................................Van wie zijn deze boeken? Die boeken zijn van
.
7. zij/haar.............................................Van wie zijn deze schoenen? Die schoenen zijn van
8. ik/mij/mijn.........................................Die schoenen zijn van
.
9. ze/hen/hun........................................Is dat huis van
?
10. hen/hun/ze......................................Heb je nieuwe schoenen? Ik vind
mooi!
hem, haar, het, ze
1. Zie je die hond? Ja, ik zie
.
2. Zie je dat vliegtuig? Ja ik zie
.
3. Ik heb dat boek nodig. Geef
even.
4. Waar zijn mijn schoenen? Ik zie
niet!
5. Waar is mijn bril? Zie jij
?
6. Zie jij Maria? Ik zie
niet.
7. Ik ben mijn pen kwijt. Het jij
soms gezien?
8. De klok is stuk. Ik laat
maken.
9. Mijn horloge staat stil. Ik moet
opwinden.
10. O, ik ben de boeken vergeten! Wil jij
ophalen?
mij/me, jou/je, u, haar, hem, het, ons, jullie, hen/ze
1. Het huiswerk is moeilijk voor Jean. Hij maakt
niet.
2. Ken je die jongen? Ja, ik zit met
op cursus.
3. Bel jij mij morgen op? Ja, ik bel
morgenavond op.
4. De klok staat stil; ik hoor
niet.
5. Mijn sleutels liggen boven, Wie haalt
even?
6. Je vriend staat buiten. Hij wacht op
.
7. Je schrift ligt op de grond. Het ligt onder
stoel.
8. Mijn moeder is jarig. Ik geef
een bos bloemen. (niet ze invullen)
9. Heb je de boeken bij je? Ik heb
nodig.
10. Kijk, jullie vader loopt aan de overkant; hij roept
.
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening