extra 8

invullen


Persoonlijke Voornaamwoorden:


vul in: ons, haar, zijn, jullie, mijn. jouw, uw
1. Ik heb een huis..........Dat is huis.
2. Jij hebt een huis........Dat is huis.
3. U hebt een huis.........Dat is huis.
4. Hij heeft een huis.......Dat is huis.
5. Zij heeft een huis.........Dat is huis.
6. Wij hebben een huis....Dat is huis.
7. Jullie hebben een huis..Dat is huis.



vul in: zijn, mijn, onze, ons, hun, haar, jouw

1. Ik houd van werk. Houd jij ook van werk?
2. Houdt je vader van werk?
3. Zijn ouders wonen bij oudste zoon.
4. Wij moeten allemaal eigen boek meenemen.
5. Wij gaan op vakantie met caravan.
6. Maria gaat met ouders mee.
7. Ik ben jas kwijt.
8. Henk is tas kwijt.
9. Aisha heeft sjaal verloren.
10. Zij zoeken hond. Hij is weggelopen.




1. Is dat boek van ?........................................jou/jouw
2. Nee meneer, het is boek............................u/uw
3. Meneer, ken ik ?...........................................u/uw
4. Ik ken broer goed....................................jou/jouw
5. Ik zag gisteren bij de bakker.....................hij/hem
6. Dit is huis...............................................mij/mijn
7. Waar is huis?.........................................jou/jouw
8. Die pen is van ...........................................mij/mijn
9. Ik heb per ongeluk pen gepakt..................jou/jouw
10. Hoe is het met ?.........................................je/jouw