persoonlijke vnw bladz 17 en 18 (extra7)

invullen


Welk persoonswoord is goed?

1. Stefan en Karel kijken naar de tv............. Zij /Hij/Wij kijken naar de tv.
2. Aisha en ik lopen buiten.............. Zij/ Hij/ Wij lopen buiten.
3. Stefan en jij lezen een boek............... Zij/ /Wij lezen een boek.
4. Karim, Nga en Zeki leren Nederlands.....,......... / Wij / leren Nederlands.
5. Maria gaat naar huis.............. Zij / Hij / Wij gaat naar huis.




vul in de /het (in het begin)
vul in hij of het (einde zin)

bus komt eraan is laat.
televisie is aangezet is nieuw.
klok hangt aan de muur is mooi.
paard galoppeert draaft.
boek ligt op de plank is dik.
kind is overstuur huilt.

Oef. 1
Vul het goede verwijswoord in. Kies tussen: Hij of Het

1. De bus komt eraan. is laat.
2. Jan komt niet op school. is ziek.
3. Het paard loopt op straat. weegt vier kilo.
4. Het pak is zwaar. weegt vier kilo.
5. De winkel is dicht. is niet open.
6. De baby huilt. heeft honger.
7. Het kind valt. heeft pijn.
8. Het boek ligt op tafel. is nieuw.
9. Josef is niet op school. heeft griep.
10. Het raam is open. moet dicht.

Oef. 2
Kies het goede persoonswoord.

1. De kinderen spelen buiten. ........... We/ze / Je hebben vrij.
2. Wat is je naam. Hoe heet ........ je / we / ze ?
3. Opa en oma komen morgen. Hoe laat komen ze/je / we /....... ?
4. Stil toch! / We /je/ Ze...... moet niet zo schreeuwen!
5 Moeder doet boodschappen. / We/je/ze .......koopt rijst en groente.


Oef. 3
Is het persoonswoord in de tweede zin goed of fout? Vul in: goed of fout

1. Moeder wast de lakens. Hij hangt de lakens aan de wijslijn.
2. Vader timmert een kast. Hij verft de kast groen.
3. Yusuf luistert naar de radio. Jij houdt van muziek.
4. Het kind loopt op straat. Hij speelt met een bal.
5. De baby huilt. Het heeft honger.