bladz 123 oef 3 4 5

Vul in:


Gebruik: en, maar, want, of

1. Ik drink geen koffie, wel thee.
2. Ik drink geen koffie, daar krijf ik maagpijn van.
3. Ik drink geen koffie chocolademelk.
4. Ik drink geen koffie ook geen chocolademelk.



Welk voegwoord? en, maar ,of

1. Jean Peter gaan naar school.
2. de school is dicht, het is een vrije dag.
3. "Zullen we gaan zwemmen zullen we gaan voetballen?" zegt Peter.



Gebruik en, maar, want, of

1. Het water in de vijver is bevroren, het is vannacht erg koud geweest.
2. Als het zo koud blijft het vriest nog een paar nachten, kunnen we gaan schaatsen.
3. Ik verheug me daar al op, ik vind schaatsen erg leuk.
4. mijn moeder mijn zusje vinden het veel te koud.
5. Zij blijven binnen ze gaan op bezoek bij mijn oma.