bladz 125 1 en 127 3 en 4

Vul in:


Plak de twee zinnen aan elkaar met het voegwoord.
Voorbeeld: Ik ga met je mee, als jij dat leuk vindt.

1. Ik ga met je mee. Jij vindt dat leuk. (als)

2. We waren blij, We mochten naar huis. (omdat)

3. Ik ga een brommer kopen. Ik heb genoeg geld gespaard. (want)

4. Alle fans juichen. Ajax maakt een doelpunt. (als)

5. Er is geen les. De docent is ziek. (omdat)

6. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (want)

7. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (als)

8. Iedereen gaat naar huis. Het is vijf uur. (omdat)




Kies tussen: voordat of nadat.

1. Arie deed boodschappen hij eten ging koken.
2. het ging regenen, strooide de boer mest op zijn land.
3. zij hun koffers ingepakt hadden, gingen zij op reis.
4. Ik maak altijd eerst mijn huiswerk ik tv ga kijken.
5. Aisha naar school gaat, pakt zij haar tas in.
6. Mijn ouders zijn in bejaardenhuis gaan wonen mijn moeder erg ziek is geweest.



Kies tussen: zodat of doordat

1. ik mijn les goed geleerd had, kreeg ik een mooi cijfer.
2. De bestuurder van de auto keek niet goed uit, hij een aanrijding veroorzaakte.
3. Ik ben vergeten het gas laag te draaien het eten aangebrand is.
4. de kinderen met lucifers speelden, is er brand ontstaan.
5. Ik kwam te laat, de trein vetraging had.
6. Ik ben ziek, ik niet kan komen.