extra 21

Vul in:


Kies tussen.....zelf, zich, zichzelf of elkaar.

1. Heb je die trui gebreid ?
2. Abdi heeft altijd boeken bij zich .
3. Kennen jullie niet ?
4. Je moet geen twee dingen tegelijk doen. Het is beter om ze na te doen.
5. Iemand die beheerst is sterker dan iemand die een stad inneemt.
6. Mijn zus heeft die jurk voor mij gemaakt, want kan ik dat niet.
7. Zij helpen .
8. Mijn vader heeft dit verhaal aan ons verteld .
9. Ik heb alleen kleingeld bij me, bij maar 8 euro.
10. Heb je die oefening wel gemaakt?




Vul in. Kies uit: iemand, niemand, iets, niet, niets, ergens, nergens, ooit, nooit.

1. Ik ben nog in Londen geweest; het is wel wat ik graag zou willen.
2. Ben jij in Brussel geweest?
3. weet hier van; je mag het ook verder vertellen!
4. Er heeft voor je opgebeld.
5. Weet je leukers te verzinnen?
6. Kan ik u even spreken? Ik zit mee.
7. Het woordenboek is te vinden.
8. Dat zou ik doen als ik jou was!
9. Dat moet je aan mij vragen, ik weet daar van!
10. Ik heb nog met een computer gewerkt.