zijn en hebben extra14

Vul in.


Vul de goed vorm van zijn in.

1. We hebben zijn al begonnen.
2. Waar heeft mijn bril gebleven?
3. Waar ben ik mijn bril neergelegd?
4. Ik heb om 4 uur naar huis gegaan.
5. Hoe hebben zij hier gekomen?
6. Wanneer hebben zij hier geweest?
7. Zij heeft oud geworden.
8. Zij is van deze lessen veel geleerd.
9. Ik ben geen foto's gemaakt.
10. Wat ben je gegeten?

tt = tegenwoorsige tijd vt = verleden tijd

1. zijn Hij nog niet gekomen. tt
Hij nog niet gekomen. vt
2. hebben Hij nog niet gegeten. tt
Hij nog niet gegeten. vt
3. hebben Zij haar boek vergeten. tt
Zij haar boek vergeten. vt
4. hebben Zij hun boek vergeten. tt
Zij hun boek vergeten. vt
5. zijn Ik te laat gekomen. tt
Ik te laat gekomen. vt
6. hebben Ik te veel gegeten. tt
Ik te veel gegeten. vt
7. zijn Waar je geweest? tt
Waar je geweest? vt
8. hebben Waar je gezeten? tt
Waar je gezeten? vt
9. zijn Hoe je gekomen? tt
Hoe je gekomen? vt
10. zijn Waar je broer geweest? tt
Waar je broer geweest? vt