willen, kunnen , zullen en mogen extra 12

Vul in.


Vul de goede vorm van willen in

1. jij even naar de bakker gaan.
2. Jean een nieuwe fiets kopen.
3. Ik morgen vroeg opstaan.
4. jullie allemaal je boek meebrengen?
5. Wij bij het werk graag naar muziek luisteren.
6. jij de deur dichtdoen?

Vul de goede vorm van kunnen in

1. jij dit pakje meenemen?
2. Ja hoor, dat ik wel.
3. Ik de muziek niet meer horen!
4. Wij u morgen helpen.
5. u dit even vasthouden?
6. Jij goed luisteren.

Vul de goede vorm van zullen in

1. we naar de stad gaan?
2. Dat toch niet waar zijn?
3. Ik morgen het geld teruggeven.
4. jullie voorzichtig zijn?
5. Je je vergist hebben.
6. ik dat even doen?

Vul de goede vorm van mogen in

1. ik een ijsje kopen?
2. hij ook een ijsje kopen?
3. Ja, jullie een ijsje kopen.
4. wij je auto een dag lenen?
5. Ja hoor, dat !
6. jij naar die film?