terug
index.htm
volgende oefening
extra 11
welk = de welke = het wie = persoon elk = het elke = de woord
welk, welke
1.
trein neem je?
2.
boek is van jou?
3.
kleur vind jij mooi?
4. Naar
ziekenhuis ga je?
5.
maat schoenen heb jij?
6.
mes is van jou?
7. Ik heb een acht!
cijfer heb jij?
8. In
jaar ben jij geboren?
9.
antwoord is goed?
10
krant lees jij?
Wie, wat of welk(e)
1. We hebben geen les vandaag.
zegt dat?
2. Ik versta hem niet.
zegt hij?
3. Op
dagen heb je les?
4.
boek ga je kopen?
5. Ik hoor iemand.
loopt daar?
6.
kind is je zusje?
7. Ik begrijp je niet.
bedoel je?
8. Ik versta je niet.
zeg je?
9. Weet u
trein naar Amsterdam gaat?
10.
gaat er mee zwemmen?
welk of welke; elk of elke
1.
meisje is uw dochter?
2.
cursist wil achter de computer zitten.
3.
week hebben ze ruzie.
4.
telefoonnummer heb je?
5.
oefening moeten we maken?
6.
bus stopt bij het station.
7.
boek lees je?
8.
plant vind je het mooist?
9. Ik vind
plant mooi.
10. In
huis in deze straat woon je?
11. Ga je
dag naar de moskee?
12. Naar
moskee ga je?
ieder(e), iedereen
1. Die man komt hier
dag voorbij.
2.
moet hier langs.
3. Niet
vindt voetballen leuk.
4.
huisje heeft zijn kruisje.
5. Ik schrijf
dag in mijn dagboek.
6. Bijna
in Nederland heeft een fiets.
jou of jouw, mij of mijn
1.
huis is groter dan
huis.
2. Jean, was de brand bij
in de straat?
3. Is die pen van
of van
?
4. Nee hij is niet van
.
5.
fiets is stuk.
6. Neem dan die van
maar!
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening