extra 10

Vul in. Gebruik de tegenwoordige tijd.


Vul de goede vorm van hebben in. (tegenwoordige tijd)

1. Ik veel hoofdpijn.
2. Jij nooit hoofdpijn.
3. U een mooie fiets!
4. Zij mooie ogen.
5. Hij altijd gelijk.
6. Wij vrij.
7. Jullie vakantie.
8. Zij een nieuw huis.

Vul een vorm van hebben in. (tegenwoordige tijd)

1. De buren een hond.
2. Wij een poes.
3. Veel Nederlanders schaatsen.
4. Mijn broer een vriendin.
5. De leraar geen auto.
6. Mijn ouders bezoek.
7. Ik veel vrienden.
8. jij een telefoon?

Kies tussen hebben of zijn (tegenwoordige tijd)

1. jullie te laat?
2. dit boek van jou?
3. je geen bezoek?
4. jullie vakantie?
5. jullie ook een brommer?
6. je moe?
7. jij een nieuwe fiets?
8. u de nieuwe docent?
9. dit uw boek?
10. hij een auto?

Vul de goede vorm van hebben in (tegenwoordige tijd)

1. Ik een hond.
2. Wij een poes.
3. Mijn broer een auto.
4. Mijn ouders bezoek.
5. Ik veel vrienden.
6. jij telefoon?
7. jullie dat boek?
8. Die man een mooi huis!
9. jullie ook een nieuw huis?
10. Ik een oude fiets.